dinsdag 12 april 2016

Hans Schoevers (flashbackpacker): Het sprookje van klein Trumpje

Hans Schoevers (flashbackpacker): Het sprookje van klein Trumpje: In een land, heel ver overzee, woonde eens een rijke prins in een groot kasteel. Hij had heel veel fabrieken en zijn schatkamer was grot...

Het sprookje van klein Trumpje



In een land, heel ver overzee, woonde eens een rijke prins in een groot kasteel. Hij had heel veel fabrieken en zijn schatkamer was groter dan die van Dagobert Duck. Het was een heel strenge prins en hij zei alles wat hem voor de mond kwam. Maar soms zat hij stil in een hoekje, keek naar zijn handen en keek voorzichtig in zijn broek naar zijn geslacht. Dan rolden hem de tranen over de wangen en hij mompelde ‘ik ben zo groot en zij zijn zo klein’. 


 Op een dag besloot de Prins: ‘Ik ga de nieuwe koning worden’. De oude koning zou in november worden onttroond en de Prins zag zijn kans schoon. Hij richtte zich tot zijn volk en beloofde het gouden bergen. Maar een van de mannen uit het volk riep: ‘O, prins u zult geen koning zijn. Uw handen zijn daarvoor te klein’. En een van de vrouwen riep: ‘O Prins, wat moeten wij met een edel deeltje, dat slechts past aan Repelsteeltje!’ 


 In een ander kasteel woonde een Prinses die ook wel koningin wilde worden. Haar gemaal was al eens koning geweest en bekend om de dure grote sigaren die hij in zijn grote handen nam. Het volk dacht: ‘ Zij krijgt ook wel graag grote sigaren uit andermans doos.’ 

 Het werd een hele strijd en de Prins en de Prinses gingen vuil naar elkaar gooien. Vanuit alle hoeken van het Rijk rolden de vrachtwagens binnen met het vuilste vuil. De Prins gooide het meeste vuil, maar het volk begon daar een hekel aan te krijgen en dacht: ‘laat nu maar iets zien’ De Prins stond voor de spiegel en riep ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie maakt hem de grootste van het land’. En de spiegel spak: ‘Prinsje, prinsje, rare klant, die krijg je van een olifant’. Een plastische fee deed het snij- en naaiwerk en de Prins had de grootste van het land. 

 De prins en de prinses hadden een verkiezingsdebat en zij hielden niet op om elkaar met vuil te bekogelen. Het volk keek toe en toen riep de Prinses ineens: ‘Hé Prins, laat eerst jouw regeerstafje maar eens zien’. Dat was het moment waarop de Prins trots zijn adelijke broek zakken en meteen scandeerde het volk: ‘Wat een lul, wat een lul, wat een lul!’. De prins werd niet gekozen en leefde nog lang en ongelukkig.

maandag 7 maart 2016

Over 'BOA's'






Op weg naar Tirol, op de autobahn vanaf Zevenaar naar  Oberhausen, kreeg ik via het laatste beetje zenderbereik van NPO1 ‘als bagage’ nog een typisch Nederlands discussieonderwerp mee. Omdat de genationaliseerde politie steeds minder tijd heeft voor regionale taken, worden door gemeenten boa’s ingezet. De laatste keer dat ik iets van een boa hoorde, was in januari 2015, toen in Engeland een man met aandrang, tijdens het openen van de toiletdeur een boa constrictor in de toiletpot aantrof. Dat werd wereldnieuws. Ik was nu een en al oor.

Er zijn in Nederland 18 soorten boa’s. ‘Het is een bedreigde soort’, vertelde de reporter. Daar waar de boa verschijnt, wordt deze regelmatig met agressie tegemoet getreden. ‘Dan is dit een boa conflictor’, concludeerde ik. Ik werd pas wakker toen het woord ‘handhaven' viel. Dat is een prettige bijkomstigheid als je met 150 kilometer per uur de autobahn onveilig maakt. Het woord ‘handhaven’ is voor mij onverbrekelijk verbonden aan de status van ‘ambtenaar’, van nuttige ordebewaarder tot echte dienstklopper. De redactie lardeerde de uitzending met een fragment over een woedende Hagenaar die kennelijk was aangevallen door een boa conflictor, omdat zijn hond op straat poepte. 

Inmiddels werd mij langzaam duidelijk dat er sprake was van het eerzame beroep van ‘Bijzondere Opsporings Ambtenaar’. Daar had ik als ‘buitenstaander’ nog nooit van gehoord. Ik ben direct een warm voorstander geworden van instandhouding van deze soort. Van deze boa’s blijf je af, begrepen?!  Ik heb er dan ook geen enkel bezwaar tegen dat deze BOA, als hij wordt aangevallen, met pepperspray spuit, de knuppel uit de zak haalt, je tijdelijk uitschakelt en de handboeien omdoet. Maar nu hoorde ik van de wens, serieus naar voren gebracht, om die uitrusting ook uit te breiden met een pistool; een dienstwapen. Ik ging in gedachten de soorten boa’s langs, van conducteur (eindelijk schot in de treinloop), marktmeester, boswachter, parkeerwachter tot brugwachter aan toe. Eerzame beroepen en regelmatig in het nauw gebracht. ‘Handen omhoog of ik schiet’. En  brugwachter? Ja, de brugwachter! Wonend in het mooiste watersportgebied van Nederland, zie ik regelmatig verwerpelijk gedrag van bootbezitters jegens de ‘brêgewippers’ (Fries voor: brugwachters) in onze provincie. Daar zit behoorlijk wat agressie in.

Achter het stuur droomde ik even weg.  Ik voer met mijn boot per ongeluk door het rode licht bij een brug. De kop van een vervaarlijke boa conflictor verscheen over de rand van de brugwand en de loop  van een Walter P99Q wees dreigend naar beneden: ‘Ik schiet je lek, ik schiet je lek’.

Vlak na Oberhausen viel het signaal van NPO1 weg, net iets te vroeg om te vernemen hoe serieus ik het waanidee van BOA’s met pistool moest opvatten. Ik houd het dus maar bij het goede idee om de BOA’s  uit te rusten met hun pepperspray en gummiknuppel. Die heeft de doorsnee brêgewipper overigens niet nodig. Hij heeft zijn klompje dat hij ook minder vreedzaam, precies gericht en met hoge snelheid naar de plaats van bestemming kan sturen. Goed voor gejodel dat niet onderdoet voor de vocale bijdrage die Radio Tirol, in mijn zenderbereik, een paar maal per dag de ether in stuurt.

donderdag 1 oktober 2015

Kneukerneuk (zomaar een flashback)

In de boekenkasten van drie generaties van mijn familie zal je het ‘Boek voor de jeugd’ en het ‘Nieuwe Boek voor de jeugd’ kunnen terugvinden. Het zijn boeken met sprookjes en verhalen, een paar jaar voor de tweede wereldoorlog uitgegeven door De Arbeiderspers. Dankzij de tweedehands-boekenhandel en zelfs oproepen per radio, konden vrijwel alle familieleden nog van de Boeken voor de jeugd worden voorzien. Het waren de boeken waaruit mijn vader voorlas aan zijn kinderen en zijn kleinkinderen. En voorlezen kon hij, niet te evenaren. Ik werd voorgelezen in de jaren direct na de oorlog. Het waren jaren dat winters nog winters waren. De kolenkachel stond centraal in ons gezin. De slaapkamers waren onverwarmd en grote ijsbloemen gaven het venster een dubbele dikte. Beneden bij die kolenkachel was het gezellig. Als de dag van gisteren herinner ik mij de op de kachel verwarmde pyjama die ik aankreeg, de warme chocolademelk die werd ingeschonken, en vooral het voorleesuurtje dat dan volgde. Het was alsof je het écht meemaakte: broer Wolf met zijn streken, Pluimstaart de hond, het gedicht van ‘het geitenweitje’ (om bij te huilen) en de dikke vette worst die los brak van zijn touwtje en alles wat op zijn weg kwam, verslond.
Maar, het allermooiste verhaal was voor mij ‘Het laatste flensje’ van Dola de Jong. Ik kan het u nog uit het hoofd voordragen, zoveel heb ik het gehoord. Het ging om drie oude mannetjes, Knikkernik, Knakkernak en Knokkernok, die pannenkoeken bakten. Ze kibbelden wat over recept en bakwijze, maar langzaam maar zeker groeide hun stapel flensjes tot respectabele hoogte; tot de laatste flens door Knikkernik omhoog werd gegooid om boven de pan te keren. Dit laatste flensje kwam niet meer naar beneden en werd niet teruggevonden. Pas toen alle flensjes waren opgegeten, iedereen nog wel een stukje lustte en Knikkernik verzuchtte dat hij het zo warm had, werd de verloren flens werd teruggevonden; op het hoofd van Knikkernik. Het verhaal was voor mij nummer 1 met stip.
Mijn vader was een keurig man. Het heeft hem vele druppels zweet gekost, toen ik als puber hem dwong tot enige explicaties die hij nog niet gewend was. Wat later was er gewenning en kon er een ondeugend mopje af. Nog later, vlak voor en tijdens zijn opname in het verpleeghuis, kon je hem bijna geen groter genoegen doen, dan met een ondeugende toespeling op datgene wat de mens verricht tot instandhouding van zijn soort. Toen ik een keer met hem terugkeek op het verhaal van Knikkernik, Knokkernok en Knakkernak, kreeg hij een glimlach tot aan de punt van zijn oren.Tussen zijn proestende lach door bekende hij: ‘jongen, er was ook nog een vierde mannetje bij. Ik heb je dat nooit mogen vertellen: Kneukerneuk.’
Ik ben niet zo’n nette man als mijn vader. Na de adoptie van Kneukerneuk, heeft deze halfbroer in de familie, mij regelmatig behoorlijk vermaakt. Mijn familie wijst mij er nu op, dat mijn columns met het verstrijken van de tijd een regelmatiger poep- en pieskarakter krijgen. Dit is invloed van die koekenbakker! 
Mocht je één van mijn columns door het bovenstaande dus wat minder waarderen, noem het dan gerust een ‘misbaksel’. 

zaterdag 26 september 2015

Het einde van de keukentafelgesprekken



Hans, we moeten nodig eens een kopje thee drinken’.
Het wordt uitermate beschaafd uitgesproken, maar je voelt op je klompen aan dat de beschaafde spreker ‘iets van je moet’ .
Man, eikel’ denk ik dan. ‘ Zeg gewoon dat je me wilt spreken, trek je agenda, kom langs, we praten gewoon en recht door zee. Na afloop krijg je een neut.’

Het zijn de ‘balletjes’ onder ons die thee willen drinken of grijpen naar het alternatieve wapen van  het ‘keukentafelgesprek’. Een keukentafelgesprek? Ja een keukentafelgesprek!
Dit is de sfeer opwekken van een gemoedelijk gesprek aan de  keukentafel, met een schaaltje koek en een kopje thee, met ‘ heerlijk de gedachten de vrije loop laten’ , niets vastleggen en later toch komen met een bindend rapport, waarvan de inhoud je doet verzuchten:‘ ik word genaaid’.
Ik heb, door schade en schande wijs geworden, gezworen nooit meer aan een ‘keukentafelgesprek’  deel te nemen.

Begin deze week las echter ik in de Volkskrant dat ‘keukentafelgesprekken’, bij duizenden tegelijk, dagelijks worden gevoerd binnen het kader van het verlenen van zorg aan mensen die hulp nodig hebben. Ook dat leidt wel eens tot de verzuchting ‘ ik word genaaid’ . De Gemeenten zijn sinds kort verantwoordelijk, ze moeten besparen en hele volksstammen worden op cursus (google maar eens)  gestuurd om de fijne kneepjes van het ‘keukentafelgesprek’ aan te leren. Alleen al bij het lezen van dit feit heb ik directe hulp nodig. 
De toekomstige hulp vragende gesprekspartner wordt in lesstof ‘ burger’ genoemd. Snertverderrie dat is  een woord waar het denigreren van afstraalt! Dat woord neemt normaal gesproken alleen een Gemeentehuisbewoner die moet ‘handhaven’ in de mond.

Neem van mij aan dat de leerlingen, na het met goed resultaat slagen voor het eindexamen ‘keukentafelgesprekken’,  niet op de voorhand bij de burger zullen aankomen voor een ‘tafeltje dek-je’, maar voor een ‘ ezeltje strek je’ en ‘ knuppel uit de zak’.
Ik veroorloof mij daarbij op te merken dat in de meeste huizen niet eens een keukentafel staat; waarmee de volksverlakkerij is bewezen.

Ik hoop oud te worden en het liefst zonder behoefte aan hulp. Dit laatste is waarschijnlijk een illusie. Oud worden brengt mij, zonder ingrijpen, uiteindelijk toch in de positie van een gedwongen uitnodiging voor een  ‘ keukentafelgesprek’  of een ‘ kopje thee’. Mijneed dus.

Dit moet worden voorkomen en de oplossing kwam van mijn creatieve vrouw; ook belanghebbend in dit geval.
Ik heb voor donderdag aanstaande bij de redactie ‘de Wereld draait door’ om zendtijd gevraagd voor de presentatie van het letterlijk lumineus idee: Een verbranding van alle Nederlandse keukentafels op het Malieveld in Den Haag. Red de zorg!


Burger, we moeten nodig eens een neut nemen’ .

dinsdag 15 september 2015

Dafjes tellen



De laatste dag van onze bootvakantie overnachtten wij in de directe nabijheid van de Linthorst Homansluis tussen Ossenzijl en Echtenerbrug.  We waren er al vroeg in de middag en hadden een riante plaats aan de oever van de Helomavaart. We genoten van het uitzicht op het in-en-uit de sluis varen van boten en van het langskomend verkeer op de tegenoverliggende Lindedijk. 
Het gebeurde om een uur of twee. Een ‘in nieuwstaat’ verkerend knalgeen Dafje pruttelde gemoedelijk over de waterkering. Ik veerde op. ‘Kijk een Dafje, een Dafje!!!’
De flashback sloeg toe als een bliksem. Terug naar naar 1959, toen de eerste Daf 600 van de band afrolde voor verkoop. Aanvankelijk ontstond er enige vaderlandse trots. Huub van Doorne, die zelf een Cadillac met automaat reed, vond dat ook het ‘gewone volk’ moest kunnen rijden zonder ingewikkeld schakelen. Hij ontwikkelde de Variomatic, een traploze automaat met een riemaandrijving. Het was geniaal. (Vele moderne auto’s worden nog steeds uitgerust met de CVT, een opvolger van de variomatic.) Het was dringen op de Rai toen de nieuwe telg van van Doorne voor het eerst werd getoond. Die auto zou het helemaal gaan maken!
Ik was op dat moment 12 jaar. Mijn vader had kort daarvoor een lichtblauwe Opel Record met stuurschakeling gekocht. Het ‘zullen we een ritje gaan maken’ was in die tijd gewoon. Ik nam plaats op de achterbank. Pa maakte ook wel eens lange ritjes en dan sloeg de verveling toe. De komst van het Dafje bracht uitkomst. Ik was helemaal weg van het nieuwe autootje en riep toen, net als bij de Lindedijk: ‘Kijk een Dafje, een Dafje!!!’ Er werd een deal gesloten: ‘als je een Dafje ziet, krijg je een ijsje’. Het was wekenlang rustig in de Opel, behalve als een Dafje werd gesignaleerd. ‘IJS, IJS!!!’. Naarmate de Dafjes talrijker werden, werd de grens voor het krijgen van ijs stap voor stap verlegd . De grens van acht, was de laatste die ik mij herinner. Daarna werd de regeling geschrapt en de Opel-ritjes konden mij nadien gestolen worden.
Er zijn 30.563 van deze Dafjes gemaakt. Ze hadden een geweldige aantrekkingskracht op ouderen. Vergeten werd dat je er, als jongere, heel eenvoudig in kon ‘scheuren’, want al ras werd de weg bevolkt door duizenden Dafjes met oudjes die het gas niet verder indrukten dan tot geluidsniveau ‘pruttel pruttel’. Net zoals dit later gebeurde met het ‘ truttige’ alcoholvrije bier van Buckler (door Youp van ’t Hek om zeep gebracht), brachten vele bejaarden het imago van het Dafje om zeep tot ‘een truttenschudder met jarretelaandrijving’. Maar het was toch een, voor zijn tijd, geniaal autootje!
Ik was blij daar op de Lindedijk weer eens zo’n ‘ding’ te zien rijden en tot mijn grote verrassing verscheen er een tweede; een turquoise Daf. Voor ik het wist zat ik weer, net als vroeger, Dafjes te tellen. Het was niet duidelijk waarom ze er waren en waarvandaan ze kwamen, maar ik telde: ‘Twee!!……..drie!!……vier!!….vijf!!’ . Een breed palet aan kleuren. ‘Zes!!....Zeven!!!....Acht!!! Negennnnnnnn!!!!!  Ik flapte eruit: ‘IJS, IJS’ en spoedde mij naar de scheepskoelkast.
Helaas, op Dafjes-tellen wordt niet meer gerekend. 

zondag 6 september 2015

Van Bommelding


In deze week, waarin overal in de wereld door een foto van een aangespoeld jongetje, mensen 'wakker' zijn geworden met betrekking tot de werkelijke situatie van vluchtelingen uit Syrië, doet Geert Wilders een andere duit in het zakje door te stellen: 'Dat vluchtelingen verdrinken, is een gevolg van het 'opendeurenbeleid' van de EU. Op dat moment zou ik wel een schoen naar hem willen gooien.
Net zoals tijdens een persconferentie, jaren geleden, in Irak toen plotseling een paar schoenen door de lucht vloog om de hersenpan van George Bush op een haar te missen. Ik dacht ‘wat een mooie manier om diepe, diepe afschuw kenbaar te maken’. Hier in ons land hebben we daar totaal andere methoden voor: een verbale, soms zo vulgair mogelijk.  Wat vliegt er niet aan vleeswaren, vloeken en andere gruwelijke beledigingen naar de hersenpannen van schuldigen en onschuldigen? Ik stel voor dit onmiddellijk te vervangen door het gooien van schoenen.
Iedereen heeft in kelder of garage wel wat staan. Houd je grote eetschuur in geval van boosheid dus maar dicht en gooi gewoon een oude schoen. Je kunt daar ook nog wat gradatie in tot uitdrukking brengen. Als je een pantoffel gooit, weet de ontvanger heus wel wat je bedoelt en bij een paar slippertjes is dat ook klip en klaar. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Niet meer vloeken dus, maar naar de veters grijpen!
Onze vrije meningsuiting moet zich de komende jaren richten op het gooien van schoenen. Als jullie het goede voor hebben met de hierboven genoemde grote voorvechter van vrije meningsuiting , stuur dan uw voorraad oude schoenen snel naar hem toe. ‘PVV Limburg’ erop en ze komen gegarandeerd aan. Onze Geert zal er blij mee zijn.  Schoenen gooien, wie doet hem nog wat?
Ik.
Jullie moeten wel even geduld hebben, want mijn schoeisel is van de allerhoogste kwaliteit en het duurt doorgaans wel tien jaar voor ze door slijtage beschikbaar zijn .De firma van Bommel, maakt zijn schoenen zo goed dat, als iedereen tot aanschaf overgaat, het spoedig is gedaan met de vrije meningsuiting. Maar daar ben ik niet bang voor. Er is genoeg ander schoeisel beschikbaar.
In het geheim, diep geheim, ligt mijn eerste paar klaar voor gebruik. U begrijpt ook naar wie ik ze ga gooien. Zó vlak over de witte haartjes heen. Want let op: in de wet staat nog steeds dat je met een belediging iemand niet mag raken. Het komt wél in de krant: 'Van Bommelding' in Limburg
Gooi je oude schoenen weg,  zodra nieuwe hebt.

Pokke-herrie  Ik heb zaterdagavond tot half twee voor het TV-beeld gezeten om het Eurovisie Song-festival tot het bittere eind ‘uit te zitte...