Ik heb al vroeg geleerd dat ze wel degelijk bestaan: mensen die
nooit vloeken. Er zijn mensen die wat dat betreft echte ‘absolutisten’ zijn en
zelfs geen ‘gedver’ of ‘gadver’ (verbasteringen van godver) over de lippen
kunnen krijgen. Kennelijk heeft er al in mijn prilste jeugd een vloekend
persoon in mijn omgeving rondgelopen, want vanuit de hoge kinderstoel weerklonk
tot grote ontsteltenis van mijn ouders ‘godverdomme’.
De Libelle bood in die dagen uitkomst met een tip: een aantal
gewone woorden als krachtterm te gebruiken. Dit geschiedde. Zo riep pa bij
grote woede ‘o tafelpoot’ of ‘chiliwoshikoem’. Ik volgde dat aandachtig, maar
corrigeerde direct: ‘Niet chiliwoshikoem; GODVERDOMME!’. Het schokeffect was
groot, maar er was toch ook nog wel een gevoel voor humor bij die situatie. Een
échte vloeker ben ik nooit geworden. Een vergissing, zo af en toe, zij mij
echter vergeven.
Mijn eerste baas in de gezondheidszorg heette Chris van der Vat
en hem komt de eer toe de eerste man in mijn omgeving te zijn die nooit
vloekte. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken. Als Chris een
situatie tegenkwam waarin 75% van onze bevolking een vloek zou laten rollen,
liet hij een diepe zucht en sprak beschaafd: ’GUNST!’
Ik heb lang met Chris samengewerkt en daar kijk ik met veel
plezier op terug. Hij was een prima baas. Alle vormen van keurig samenleven
werden gehandhaafd. Tutoyeren was ‘not done’in die tijd. Chris was econoom en
verantwoordelijk voor de interne controle en functiescheiding. Hij regelde de
gang van zaken en de administratie zó dat niemand, maar dan ook niemand, de
boel kon belazeren.
Henk Teegel, belast met procedurele- en automatiseringszaken,
kreeg daar een sik van. Hij zei ooit: ‘Als die man met zijn vrouw naar bed
gaat, dan slikt zij de pil, hij laat haar een pessarium gebruiken, zij heeft
een spiraaltje, hij doet een condoom om, hij gebruikt zaaddodende pasta, hij
laat haar de morning-after tablet slikken en nog is hij bang dat ze zwanger
wordt. En hij is nog gesteriliseerd ook. Later vertelde hij: ‘Hij heeft een
boot, daar vaart hij mee in Friesland, die heet de Chriskras en die heeft
zoveel fenders (stootkussens) dat je de zijkant niet eens meer kan zien.’
Henk Teegel was bepaald geen vloeker, integendeel, maar van
overdreven interne controle en van écht vieze verhalen ging Henk door het lint;
en dan ook hélemaal. Tegen de directeur van de Provinciale Accountantsdienst,
een heel hoge ome, riep hij ooit ‘Man, wat lul jij uit je nek!’. Chris van der Vat
zei ‘gunst’ en even stond Henks baan ter discussie.
Tijdens één van de oersaaie werkbesprekingen schoot Chris van der
Vat éénmalig en tot ongeloof van iedere aanwezige, ongenadig uit zijn slof.
‘Ik heb een mop:
Twee clochards zitten onder een brug over
de Seine in Parijs. Ze hebben honger. Ineens drijft er een dode hond voorbij.
Eén van de twee vist de hond uit het water.’
De ogen van Henk Teegel werden groot van
ontzetting en afschuw.
‘Met een mes snijdt hij een stuk vlees
uit de dode hond en begint dit smakelijk op te eten. “Jij ook een stuk?”vraagt
hij aan zijn maat. Die bedankte ervoor.’
Teegel werd witter en witter.
‘Na een half uur werd de eerste clochard
ziek en moest uiteindelijk overgeven. Met grote brokken kwam het hondenvlees er
uit. De tweede clochard pakte een groot brok op en stak dit met een hemels
gezicht in zijn mond. Verbaasd keek zijn zieke maat hem aan. “En net wilde je
niets!?” riep hij verbaasd. “Toen was het vlees nog koud!”, sprak de eter.’
Twee seconden was het helemaal stil in de vergaderkamer. Henk
Teegel stond op, leunde op tafel, riep ‘GODVERDOMME’ en verdween door de
toegangsdeur.
Het enige dat wij daarna nog hoorden was: ‘GUNST!!!’
De ogen van Henk Teegel werden groot van ontzetting en afschuw.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten