vrijdag 22 maart 2019

De Canteclaer in Eerste Kamer

Ik had een heel bijzondere droom vannacht. Ik droomde dat markies de Canteclaer vol egards een zetel in de Eerste Kamer in gebruik nam.

Ik zag het direct aan zijn doen en laten. Dit was de Canteclaer ten voeten uit. De Canteclaer, zo treffend als antropomorfe haan beschreven door Maarten Toonder in vele hoogstaande publicaties. De zelfvoldane markies woont in Rommeldam en heeft daar een stamslot dat dat ‘Troebeloo’ heet.

De Canteclaer was zojuist verkozen door het volk dat hij diep veracht; ‘plebs, crapuul, jan hagel of grauw’. 
De markies keek hooghartig de Eerste Kamer rond: ‘Affreus, Fi donc!’

Het aanwezige journaille vroeg ‘insolent’ naar zijn plannen en de markies begon, zwaaiend met de beide handen, een hanenzang over de aarde die plat is; een schijf die wordt bewoond door ‘rapalje en botterikken’.
De Canteclaer ging mij voor naar zijn werkkamer. Daar werd een megagrote vleugel binnengedragen. ‘Een heer van stand speelt Bach. Ik ben musicus, dichter en esotrist’. Toen blufte hij hautain: ‘Na de volgende verkiezing ben ik de keizer van de kiezer’.

Niet lang daarna zag ik de Canteclaer, geheel in zijn blote kont, liggen op de rand van de hofvijver, gretig lonkend naar de fotografen en genietend van het massaal toegestroomd publiek dat hem prees om zijn prachtig gewaad.
Even dacht ik in het verkeerde sprookje terecht te zijn gekomen. Au secours!
 Met zijn middelvinger wees de Canteclaer naar boven en riep ‘Coup d’ouil! La chouette de Minerva!’. Het volk deed alsof het hem begreep.

Ik vond het de meest vermakelijke droom van het jaar, maar na het ontwaken en het openslaan van het ochtendblad, werd mijn verhaal ineens een nachtmerrie. ‘Shit, het is echt!’
 
Ik riep luid om Tom Poes.

maandag 4 maart 2019

Nep-carnaval

Waarom de ‘Oeletoeters’ mij jeuk bezorgden.

Toen ik zaterdag j.l. Sneek binnen reed, op het plaatsnaambord de aanduiding ‘Drabbelterp’ las en even later werd opgehouden door de optocht van ‘de Oeletoeters’, kreeg ik jeuk. 
Waar ben ik nu terecht gekomen? Carnaval in Friesland?

Ik moest direct denken aan schrijver Godfried Bomans die zich, als man van ‘boven de rivieren’ en in een pak van op te blazen druiventrossen, in het carnavalsgedruis ‘beneden de rivieren’ stortte. Hij ontmoette een banaan met een drinkluikje, als een fallus staand in hoekje van de feestzaal , en trok met hem de conclusie dat carnaval niet voor hen was.

Maarten van Rossum, door mij dikwijls gewaardeerd om zijn norse recht-voor-zijnraap-uitspraken, was vandaag met een tweet ook duidelijk: ‘carnaval is karakteristiek voor achterlijke samenlevingen. Het is een ventielzede. Eens per jaar heb je Gods zegen om dingen te doen, die je eigenlijk niet mág doen. Dikke mannen met rare hoeden die “alaaf`” roepen, ik vind het van een intense treurigheid.


Dit is het moment dat ik er goed aan doe om te bekennen dat ik in 1970, nog wonend in Noord Holland, eenmalig aan een écht carnavalsfeest in ’s Hertogenbosch heb deelgenomen. Ik zeg ‘écht’ omdat er een verschil was tussen een feest van autochtonen in de stad en het feest waarvoor busladingen met mensen uit midden Nederland naar een partycentrum werden vervoerd. Dat laatste had niets met ‘leuk carnaval’ te maken.

Ik had het genoegen om door een Bosschenaar uitgenodigd te worden. Met acht van zijn stadgenoten ging ik ‘de Prins inhalen’. Dat deed ik met de mannen die een kroegentocht voltooiden naar de leuke Bossche kroegjes waar je met carnaval, als ‘Hollander’ van boven de rivieren, normaal gesproken geen toegang kreeg.
Bedenk je vooral dat het daar niet zo is dat je ineens carnaval gaat vieren, maar dat al weken tevoren een stemming wordt opgebouwd. Negentig procent van de mensen, van groot tot klein en van arm tot rijk, gaat in carnavalstijd helemaal uit zijn dak door flauw te doen, te zingen, te dansen’ te lachen en de kroegbaas omzet bezorgen. Niemand vindt, wat je als statige burger ook doet, gek. Je kan rustig in de stadsbus beginnen te zingen. Dan zing meteen iedereen mee. In die sfeer was het niet ‘gemaakt leuk’, maar echt leuk. 

Ik ging niet als banaan. Hier geen stomme verkleedpartijen. In ‘s Hertogenbosch ging je in een boerenkiel met een kwakbol als decoratie. Dat ‘kwakkie’ staat voor kikker.
Het Prins inhalen begon bij de leider thuis. ‘Hier niet te veel drinken, ander haal je de finish niet’.
Liederen zingend reden wij met negen man in en op een Citroën DS (toen nog geen oldtimer) naar de stad. De politie keek de andere kant op. Een kroegje in, biertje uitdelen of krijgen, zingen, dansen en, nadat de leider op het scheidsrechtersfluitje blies, op naar het volgende kroegje.


Onderweg lag de simpelste humor voor het oprapen. Een opa met baby-kleinkind in een kinderwagen werd omringd door ons negental met het gezang ‘wat heb je gedaan Daan, wat heb je gedaan’. Hij zong van harte mee.
We zagen een bovenwoning met bloemetjesgordijnen. Hup, we gingen de stijle trap op. Negen mannen in de huiskamer in en we zongen: ’weet je wel wat ik zou willen zijn? Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn.’ Een Pilsje als beloning.


‘s Avonds nog een leuk feest. Ik heb mij, gezien de lichamelijke toestand, noodgedwongen beperkt tot coca-colaatjes. Samen met een tochtgenoot keek ik lachend terug op het middagtoneel in de laatste kroeg: een jonge vrouw met een enorme boezem, die al dansend haar twee ‘rijkdommen’ nadrukkelijk naar ons uitstak en zong: ‘pak ze maar beet zei tante Greet, ze benne voor jouw’. Als je in een stad alle neuzen dezelfde kant op hebt, dan kan je zo plezier hebben. Ik beken: het was een topdag.


Maar als ik nu in Noorderlijker streken ben, dan wordt ik kennelijk weer een ‘beetje van Rossum’. Als gezette man met een rare hoed “alaaf`” roepen, vind ik van een intense treurigheid.
Ik kan toch niet bedenken om in Sneek de Prins in te halen; om net zoals Oeteldonkers hier met de Oeletoeters opa’s toe te zingen en bij bloemetjesgordijnbezitters binnen te stappen om noten te balken?…Dan zit je toch zo in de ‘finzenis’?
Een een stoere Friezin die voor mij staat, haar gevel verheft en ’Pak se mar byt sei moike Greet, se binne foar jo’, zingt? Vergeet het maar. Hier heerst nep-carnaval en dit is geen nepnieuws.


Ik keerde de auto om, reed snel naar huis en bedacht dat er hier anders, maar minstens zo goed wordt gefeest. Hier is, helaas te zelden, een Elfstedentocht, maar elk jaar onder andere in meerdere plaatsen uitgelaten feest bij SKS-skûtsjesilen en wat te denken van de Sneekweek. Dat zal je in Den Bosch niet vinden!

Tegen de tijd dat de Elfstedentocht wél plaats vindt, dan is van Rossum zeker bereid om daarover een sappige tweet op te stellen.


maandag 28 januari 2019

Het bak-spektakelstuk



Bij 95% van de tv-spelletjes of wedstrijdjes gaat bij ons de TV uit of naar een andere zender. Ik heb schoon genoeg van al die bekende Nederlanders die zich verplicht staan aan te stellen en uitsloven. 

Er zijn voor mij naar drie uitzonderingen: ‘Met het mes op tafel’, ‘Twee voor twaalf’ en ‘Per seconde wijzer’. Daar komt gewoon ‘Jan Publiek’ aan de beurt en wel in de meest slimme vorm. Geen aanstellerij, maar gewoon ‘kennis manifesteren’. 

Toch heb ik twee zwakke plekken in mijn kijkgewoonten: ’Boer zoekt vrouw’ en ‘Heel Holland bakt’.

Dat laatste programma draait nu op volle toeren. Een aantal weken bakt een aantal alleraardigste mensen, bak-amateurs,  zich een ongeluk aan allerlei moeilijke taartjes en koekjes, waarbij telkens degene met de meeste mislukkingen, huilend de baktent verlaat. 

Dit jaar verloopt anders dan in voorgaande jaren. Ik vind namelijk één van de kandidaten niet zo leuk als de anderen. Dat kan gebeuren, maar in dit geval sta ik niet alleen. Heel Holland appt. De oudste deelneemster, gesierd met een enorme haartaart op het hoofd, is naar zeggen ‘geen amateur’, maar een vrouw die professioneel aan catering doet en een kookboek heeft geschreven. Daarbij zou ze een bekende zijn van jurylid Janny. Als dat waar is, bakken die twee dames het heel bruin. Internet staat bol van de kritiek.

Ik hoop nu al vele afleveringen lang, dat het 'haarstuk'  de weg naar huis inslaat en ik maak mij sterk dat niemand daarbij in huilen uitbarst.

Maar keer na keer, moet ik toegeven dat de ‘professional’ professioneel bakt. Jurylid Janny staat te kirren bij het gebak en de persona non grata schuift met haar taarten langzaam maar zeker de finale in. Wat moeten we doen als deze ‘mol’ onder de kandidaten lijkt te gaan winnen?

‘Heel Holland bakt’ 2019 is voor mij en voor veel kijkers als een besmette begrafeniscake. Als ik het mocht zeggen, dan kwam er een passende laatste opdracht; het traditionele ‘spektakelstuk’: 

‘Bakkers, bak een lange vinger’.
Dat zou een opsteker zijn.

zondag 20 januari 2019

Een 'gevoelige medische misser'

Een 'gevoelige medische misser'

Het gebeurde op een vrijdag, half juli in de jaren ’70. De bouwvakvakantie begon en alle bouwers van een nieuwbouwvleugel van het ziekenhuis wisten niet hoe ze het snelst weg konden komen. De bouw lag al veel eerder stil dan de bedoeling was. Opzichter Kees de Boer *) zuchtte en ruimde de laatste rommel op. Als er één man naar vakantie hunkerde, dan was hij dat wel. De volgende dag zou hij vertrekken naar Zuid Frankrijk en dit was er wellicht de reden van dat de laatste handeling die hij op het terrein verrichte, wat te haastig werd uitgevoerd.
De aanhanger met nog mee te nemen apparaten werd enthousiast met de hand naar de Volvo V70  van Kees getrokken. Het werd te laat opgemerkt: het midden van Kees stond te dicht bij de trekhaakkogel en vallend disseleind.  Het resultaat was deerniswekkend. Een kogel van Kees zat in de klem en zijn gebrul ging door merg en been. Kees wilde snel wegvluchten, maar een bloedbad  maakte dit onmogelijk.
Zo kwam Kees de spoedeisende hulp binnen met een handdoek voor zijn geslacht. Kees was een ruwe bolster, een wat cynische humorist en daardoor niet echt populair in het ziekenhuis. Dat veranderde nu op slag. Ik kan jullie niet vertellen hoe snel de mare door het ziekenhuis ging: ‘Kees van de bouw ligt op de EHBO. Hij heeft een grote scheur in zijn zak.’ Het medisch geheim werd grof geschonden.
Ieder die dit beroepshalve ook maar even kon maken, spurtte naar die afdeling om daar, bij de tussen de verrijdbare schermen staande brancard, even het laken op te lichten met een ‘o, Kees, wat heb je nu gedaan?’.
Kees kreeg met opzet drie artsen op bezoek: de traumatoloog, de plastisch chirurg en een uroloog. Op de gang stond het gezelschap nogal geamuseerd bijeen. Kees lag in zak en as op de brancard.  Schuw vroeg Kees ‘gaan jullie mij naaien’. ‘Nee kees je wordt gehecht’.
Kees werd adequaat geholpen en kon twee dagen later op reis.
Achter het stuur van zijn Volvo zat Kees wat ongemakkelijk te schuiven. Het was vlak voor Breda dat Kees spierwit wegtrok. ‘Wat is er Kees?’, vroeg zijn eega.  Bijna stotterend zei Kees: ‘ik geloof dat er bij mij steekje los zit’. Dat was al jaren zo, maar dit was een serieuze zaak.
De spoedeisende hulp in Breda loste dat zonder gelach op. Kees kreeg een foto als bewijsstuk mee.
Na de bouwvak stond men hem op te wachten om ‘het naairesultaat te bekijken en de hechtingen te verwijderen’. Kees blies stoom af. Men probeerde de situatie nog even de relativeren. Maar mis; Kees was in zijn onderste wiek geschoten en dreigde, met foto in de hand, een klacht wegens ‘een gevoelige medische misser’ in te dienen.
Gelukkig kon zijn zaakje uiteindelijk in den minne worden geschikt.


*) Om begrijpelijke redenen heb ik de naam aangepast en de locatie weggelaten. 

vrijdag 18 januari 2019

Kreunen, hijgen, gillen.




Kreunen, hijgen en gillen

Het is alweer een aantal jaren geleden dat ik een congres bezocht in Chicago en overnachtte in het Palmer House Hilton hotel. Er was in de stad haast geen hotelkamer meer te krijgen en het ‘dan hier maar’ was geen straf.


Het is een chique groot hotel met kamers  tot op grote hoogte. Als ik uit het raam naar beneden keek, kreeg ik als ‘hoogte vrezer’ kippenvel. De kamer was klein maar uitstekend ingericht. Binnen de kortste keren werd mij wel duidelijk dat het er gehorig was. Muren en vloeren isoleerden als bordpapier.


Net toen ik, na een nachtelijke vliegreis, nog even een tukje wilde doen,  weerklonk vanuit een lager gelegen kamer een gegil en geschreeuw dat mij bijna naar telefoon deed grijpen om een op handen zijnde misdaad te melden.

Uh, uh, uh, hiiii, hiiii, hiii, uh, uh ,uh, aaahhhhh, yes, yes!!!

Dat laatste en het ritme waarin, maakten duidelijk dat hier iets tegengesteld aan de hand was. Ik heb er een half uur van mogen genieten, het ritme wisselde en het slotakkoord was een luid gil.
In bar en restaurant keek ik later rond met een blik van: ‘wie, o wie, zou het geweest zijn?’


Toen ik vanmorgen thuis de huiskamer binnen kwam, stond de TV al aan. ‘Verrek, wat een bekend geluid!’ Uh, uh, uh, hiiii,hiiii, hiii, uh, uh ,uh, ah, ah. Het ritme wisselde.


Er was iets gaande in Melbourne op de Australian open. Het was de wedstrijd Sharapova-Wozniacki.  Eerstgenoemde stond bij elke slag zo afschuwelijk te schreeuwen en kreunen dat mijn gedachten als vanzelfsprekend uitgingen naar het moment in Chicago.


Ik heb een hekel aan hysterisch gekrijs. In een hotel kan het me even doen glimlachen, maar op een tennisbaan is gekreun en gegil voor mij niet te verteren. Ik erger mij kapot. Er is geen sport waar je er hetzelfde gebeurt als men een bal raakt; voetbal niet, handbal niet, badminton niet, honkbal niet. Het moet dan ook maar eens uit zijn met die orgasmische geluiden bij het tennis.

De Internationele Tennissfederatie moet,naar mijn mening, direct een anti-gil-oekaze  uitbrengen. 


Nu zijn er bobo ’s die het toch nog heel graag zouden willen horen. Die moeten dan maar een keer in Palmer House Hilton gaan logeren.

dinsdag 25 december 2018

‘Berenkroket’


Ik nam vandaag, Kerstavond,  deel een aan keukentafelgesprek in een Finse keuken. Nu kan ik jullie vertellen dat een keukentafelgesprek hier, iets heel anders is dan in Nederland. Bij ons is het een gesprek van een sociaal werker met een zieke of nooddruftige, om de laatste een zorgpoot uit te draaien.
Een keukengesprek in Finland is een gezellige bijeenkomst met familie, vrienden of bekenden en omdat er voldoende Glökki (een soort Glühwein) op de  Kersttafel staat, is een goede sfeer gewaarborgd.

Dit zijn de momenten dat ik mijn stokpaardjes uit Nederland weer de vrije loop kan geven. Ik ben vandaag in geestelijke opstand, gehoord hebbend van de vreugde die in Nederland bij enkele gekken is opgewekt over de komst van ‘steeds meer wolven’. Ze zitten er niet mee als een kudde schapen wordt doodgebeten en binnenkort ook een mens een hap uit de broek kan verwachten. In Duitsland is al een man aangevallen. Intussen zitten de aanbidders op hun knieën rond een vieze dikke drol om te bewijzen dat die van een wolf is. 

‘Jullie schieten hier in Finland wolven vast en zeker hartstikke dood’, liet ik mij ontvallen.
Er ontstond aarzeling aan de keukentafel. ‘Officieel niet’ zei Olli.  Ik wist genoeg. Stropers zijn het en mutsen van wolvenbont zijn regelmatig op straat te zien. 

‘Maar beren in de stad of dorp, die gaan toch wel meteen voor het vuurpeloton?’, probeerde ik nog. Weer dezelfde veelzeggende stilte. ‘Of voor de bijl?’ Met een handgebaar werd duidelijk gemaakt dat ook dit een beschermde diersoort is.
‘Berenvlees is heel lekker’ zei neef Pekka enthousiast.
‘Dat is zo’ zei ik vol overtuiging.
Verbazing alom. Belazert hij ons wel of niet? Berenvlees is namelijk heel schaars.
‘In Nederland eet ik regelmatig een berenlul’. Ik zei het met veel overtuiging.
Er werd hard gelachen, maar ik bleef serieus, nam mijn ipad ter hand en presenteerde een foto van een schaal waarop een stapel goudbruine, grof gepaneerde kroketten was uitgestald. Hilariteit; mijn schouders werden bijna blauw geslagen.

Vriend Juha sprong op : ‘Jaaaa. Dat heb ik vorig jaar in Den Haag gegeten. Heet dat echt een berenlul of neem je ons in de maling?’ 
‘Nee, dat niet. Als je in Nederland om een berenlul vraagt, krijg je dit exclusieve gerecht.’ 
‘Hartstikkel lekker’ bevestigde ` Juha.

Intussen had ik zelf wel flinke trek in een kroketje bij het pilsje dat inmiddels op tafel stond.

Helaas. In dit Finland zijn er wel veel beren, maar hun kroketten zijn hier niet in de verkoop.

maandag 22 oktober 2018

Over een Neanderthaler en zijn vonnis




Hoeveel weeg je nu en hoe lang ben je’ vroeg de dokter wat plichtmatig. Ik bracht een paar kilo in mindering en het nepresultaat werd vastgelegd op een digitaal formulier.
De aanvullende vraag bleef dit keer uit: ‘Ben je al eens bij de diëtiste geweest?’. Gelukkig maar. Mijn standaardantwoord (‘nee, want ik weet het allemaal al’) heb ik al vele malen gegeven.

De diëtiste is een knappe, aardige vrouw, een fee die, na een inventarisatie van ‘wat eet u zo op een dag en wanneer?’, een eetadvies meegeeft dat voor mij gelijk staat een doodvonnis; een soort ongewilde euthanasie. ‘Ik ben uw stok achter de deur’, zegt de fee.

Ik heb weer een paar kilootjes te veel, niet als vetzak, maar als een ‘stevige Neanderthaler’. Mensen begroeten mij regelmatig met de uitroep ‘man, wat zie jij er goed uit!’. Dan weet ik dat de golvende jojo-grafiek weer hoog staat en naar beneden moet. 

Adviezen genoeg. ‘Liposuctie’ zei een kennis tegen mij. Zijn vrouw was drie jaar geleden ‘open geboord om het vet eruit te laten lopen’. Drie maanden geleden was ze terug bij de geneesheer om opnieuw afgetapt te worden. ‘Je kan er dozen vol met kaarsen van maken’ voegde mijn kennis toe. Wat een afschuwelijke gedachte! Een romantische avond bij het kaarslicht van die dikke eetfabriek van Jan. Ik zie liposuctie daardoor op de voorhand niet zitten. 

‘Een maagverkleining’ is ook zo’n advies. Een vroegere buurman van meer dan tweehonderd kilo kon zich bijna niet meer verplaatsen en werd daarvoor gestrikt; letterlijk en figuurlijk. Ik heb nog nooit zo’n hoop ellende gezien als toen hij thuiskwam uit het ziekenhuis. Zijn vrouw had een grote taart gekocht vanwege het feest. De stakker zat ernaast te huilen. Hij had een maag met ruimte voor hooguit twee borrelnootjes. Hij viel daarna af, maar was ‘het leven moede’.

Nee, dan Erika Terpstra. Een jaar lang werd ze zo veel gecomplimenteerd over haar bijna slanke figuur, dat ze er genoeg van kreeg. Nu loopt ze weer in vol ornaat in jurken ‘model Koningin Wilhelmina’; langs de indianen en dikbuikige Papoea’s met grote peniskokers. 

Om maar te zwijgen van Patty Brard. Een tijdje geleden sprong ze nog, voor een stomme artiestenshow, als een gillende Michelin-vrouw van de hoge duikplank. Vroeger was ze een seksbom in hotpants met een mooi strak kontje, maar nu, in dat tv-moment, zag ik een ‘bommetje-bombardement' waarvan het zwembad over liep. Ze loopt praatprogramma’s af om tegen vergoeding enthousiast te vertellen dat ze 30 kilo afgevallen is; zonder rimpels, met dank aan Dokter Botox. Na zeven dure prikken ligt het mooi strak kontje direct onder haar ogen. Heb je dat gezien? Ze kan er nauwelijks over die billen heen kijken. 

Ik weet nu dat ik mijn vet kan laten weglopen en verkopen aan Bolsius en vele jaren een kaars opsteken voor iedere obesitasser. Ik weet dat ik mijn maag kan laten couperen als de staart van een spaniël. Ik kan mij zo uithongeren dat mijn huid moet worden ingekort. Ik weet dat ik daar een mooie obesitas-tas van kan laten maken. Ik kan dokter Botox financieel vetmesten. Maar ik zie ook, dat niets van dat alles mijn jojo-curve ervan weerhoudt om op termijn weer omhoog te klimmen.

‘Goed dat u weer komt’ zegt de dieet-fee, waar ik ongezien toch binnenglip. Haar ogen schatten mijn nieuwe omvang in. Zij schrijft druk op een A4-tje; mijn vonnis.
Ik capituleer, als eerste Neanderthaler; met een knots achter de deur.





Pokke-herrie  Ik heb zaterdagavond tot half twee voor het TV-beeld gezeten om het Eurovisie Song-festival tot het bittere eind ‘uit te zitte...