zaterdag 13 januari 2018

Mee naar Rinsma


Mee naar Rinsma

Bijna niemand uit mijn familie- en kennissenkring zal het geloven, maar ik heb mij laten strikken om een middagje mee te gaan naar Rinsma in Gorredijk. Voor wie het niet weet: dat is een poepchique modezaak, hofleverancier en dus per definitie duur; zelf nog met de 50% opruimingskorting van dit moment. Volgens de website 'een dagje uit' is een bezoek aan Rinsma 'entertainment voor het hele gezin’. Maarten van Rossum zal je niet daar vinden, maar dat was ik eerst ook niet van plan. ‘Ben me besodemieterd’.

Ik hoorde onverwacht, vlak voor mijn besluitvorming, dat mijn buurman wél zo aardig was geweest om met zijn vrouw mee te gaan. Hij had daar de tijd onder andere gedood door in het Grand Fashion Café twee overheerlijke kroketten te eten. Nu ben ik door niets en niemand te verleiden, behalve dan door overheerlijke kroketten. Het is ook de reden dat ik van tevoren wist dat Rinsma ‘niets in mijn maat’ zou hebben.

Met water in de mond stapje ik het ‘luxe modeplein’ binnen. ‘Je kunt hier wachten’. Ik zeeg neer aan een lange tafel met tijdschriften en kranten. Ik had al direct in de gaten: ‘dit is een hangplek voor mannen’. Er hingen er een stuk of zes. Allen zwijgzaam en in gedachten bij de vrouwen die liever alleen het paradijs betreden en niet gevolgd willen worden door een man die consequent op de prijskaartjes kijkt.
Ik moet zeggen: ik vermaakte mij in deze luxe entourage. Het was net een Amsterdams terras: lekker meiden kijken! Ze scheumden kwetterend van rek naar rek; alleen, maar ook in clubverband. Ik werd intussen regelmatig voorzien van koffie met koek en bereidde mij in gedachten voor op een andere belangrijke versnapering.

Pas toen de benedendieping was uitgekamd, mocht ik mee naar de horecavoorziening. De twee kroketten  waren inderdaad van een voortreffelijke kwaliteit. Ik had er wel vier gelust. Eigenlijk wilde ik nu wel weer naar huis, maar dat kon ik wel op mijn zo juist gevulde buik schrijven. Er waren nog twee etages af te werken.

Zo kon het gebeuren dat ik op etage twee, op een hocker, het stuk entertainment van dichtbij ging bekijken. De dames kwamen vanuit de paskamer om, vlak voor mijn hocker, wiegend en draaiend hun gewaden te showen. Ik glimlachte minzaam, maar vond dat ze allemaal nijdig terugkeken. Na verloop van tijd kwam ik er achter dat ik voor hun spiegel zat.

Vriendelijke adviseuses kwamen een praatje met mij maken. ‘Ik zit het allemaal eens lekker aan te kijken’, zei ik.  ‘Net een terras, meneer’. ‘Ja dat had ik mij ook al bedacht’. Of ik nog koffie wilde. Het was maar al te duidelijk: ik moest terug naar hangplek voor mannen. ‘Nee dank u. Ik blijf nog wel even hier zitten. Ik vermaak mij best.’


De koopmissie was geslaagd. We keerden terug in mijn woonplaats met een mooie garderobe-uitbreiding precies op het moment dat buurman  naar buiten stapte. Hij deed een paar passen in onze richting, keek naar de Rinsma-tas, glimlachte naar mij en zei: ‘lekker hé, die kroketten’.

dinsdag 9 januari 2018

Voetbal en weemoed



Gisteren was ik een aantal uren bezig met het opruimen van kasten waarin ook een persoonlijk archief is opgeborgen.
Ineens had ik het Kluborgaan ‘Ons  Heerenveen’ van november 1966 in mijn handen, gevonden tussen een stapel bladen van betaald voetbalclubs uit die tijd. Van Ajax, Feijenoord en PSV tot Willem II en een reeks van clubs die al niet meer als betaald-voetbalclub bestaan.

Ik was in die tijd naast speler, ook mede-redacteur van het verenigingsblad van HVV ’t Gooi. In de bladen van collega-clubs vond ik ‘eigen werk’ terug dat voor publicatie uit ''t Gooi-nieuws' was overgenomen. In het blad van Heerenveen staat op pagina acht een artikel. Ik schreef daarin over de KNVB die clubs zwaar strafte voor onregelmatigheden rond het veld, maar geheel voorbij ging aan een massale knokpartij op het middenveld tijdens de interland Nederland-Tsjechoslowakijke.
Vol jeugdig en overmoed vuur trok ik van leer en dat werd gretig door collegabladen overgenomen. Zo ook in 'Ons Heerenveen'. Als ik het teruglees, schud ik meewarig mijn hoofd.

Ik bezit nog stapels van het blad ’t Gooi-nieuws’. Het nummer van van mei/juni 1959, een jaar of vijf voor mijn redacteurschap trok gisteren mijn aandacht. ’t Gooi, in vele seizoenen concurrent van Heerenveen, was kampioen geworden van de tweede divisie. Het is een club van meer dan 100 jaar met een roemrucht verleden.
Ik vertrok in 1972 naar omgeving Alkmaar. Nog steeds is er een geel-zwart plekje in mijn hart en volg via internet ’t Gooi-nieuws dat helaas geen schim meer is van het blad van toen.

Vandaag belde ik met de echtgenote van voetbalvriend Hans waarmee ik vele jaren in  ’t Gooi heb gespeeld; niet als begaafd voetballer overigens. Hans was een harde werker en met een hoge stem spoorde hij ons aan. Ik herinner mij nog goed hoe wij bij een 5-0 achterstand, tien minuten voor tijd, die hoge stem hoorde roepen ‘kom op jongens, het kan nog’.
Maar Hans is die sterke man niet meer en wordt verpleegd in een zorginstelling. We gaan er op bezoek en ik hoop dat hij mij nog herkend.
Ik hoorde dat ’t Gooi, overigens een boeiende vereniging voor dames en jeugd, niet meer in staat is een eerste elftal voor Heren mee te laten doen in de competitie.

Dat nieuws uit mijn voetbaltijd van toen, over de over Hans van nu en het eens roemruchte  ’t Gooi, maken mij ronduit weemoedig. Het was zo’n mooie tijd! Wat had dat voetbal een belangrijke plaats in ons leven.

Sinds mij verhuizing naar Friesland heeft Heerenveen mijn belangstelling. Daar heeft dat artikel uit 1966 niets mee te maken. Dat is leuk, maar dat ontdekte ik pas later.
Maar voor de insiders hier: ik heb in dit verband een reusachtige vlek op mijn conduitestaat.
Ik heb vanuit Alkmaar het supporterschap van AZ meegenomen.

Hoe u mij een maal per jaar in het Abe Lenstra-stadion kunt herkennen? Als het AZ meezit, ben ik de enige die op de volle tribune op het voor mij geëigend moment blij opspringt. Dat kan niemand ontgaan. 'Blijf zitten, man!' klinkt het nijdig.

Gelukkig is dat maar een keer per jaar.

zaterdag 30 december 2017

Afkeer van geld



Tussen de bankbiljetten in mijn portemonnee, trof ik een sterk vervuild en verkreukeld biljet van vijf euro aan. Gedver, wat een goor biljet! Wie zouden dat allemaal in handen hebben gehad?

Ik moest ineens denken aan mijn moeder. Zij had een ontstellende afkeer van geld. Begrijp mij niet verkeerd; ook zij verlangde naar een prijs op het staatslot van mijn vader. Legendarisch was echter de verdrietige verzuchting: ‘de loterij was weer kloterij’.
Het spaarzame geld dat zo vlak na de oorlog bij ons binnenkwam, was langdurig gebruikt en per definitie vies.

‘Denk je eens in wie dat allemaal in handen gehad hebben’. Dat deed ik en ik griezelde bij het idee van de groeteman van Houten, een verstokte neuspeuteraar. Of de putjesschepper die de overloopputten eens per maand kwam leegscheppen. Als kinderen noemden wij hem ‘stinkepoep’.Hij deed die naam eer aan. Of ‘pijpierook’ de dame van lichte zeden uit het centrum van Hilversum. Misschien een voddenboer of de schillenman.
Trouw waste ik na elke keer boodschappen-doen voor moeder, de handen grondig. Ik werd ook in de gaten gehouden of dat wel gebeurde.  De smetvrees gold zowel voor guldens op papier als voor munten.

Het gore biljet voor mij, riep ineens nieuwsgierigheid op. Wie heeft dat in handen gehad? Een neuspeuteraar? Een wildplasser? Ik werd nieuwsgierig en zocht op internet.
Een website ‘eurobiljettracker’ bracht uitkomst. Het was een biljet uit Spanje dat in omloop werd gebracht in 2013. Meer dan vier jaar lang van hand-tot-hand gegaan; van deftige dame tot goorling.

Ik bekeek het biljet, liet mijn fantasie werken en kreeg ineens  onbedaarlijk zin in handenwassen. Ik heb het nog gedaan ook. Extra lang.

donderdag 28 december 2017

Hans Schoevers (flashbackpacker): Eén kanonslag, 64 jaar plezier.

Hans Schoevers (flashbackpacker): Eén kanonslag, 64 jaar plezier.: Het is 31 december 1953 in mijn zevende levensjaar. Ik heb zojuist een diefstal gepleegd. Uit het keukenkastje van mijn moeder heb ik ...

Eén kanonslag, 64 jaar plezier.




Het is 31 december 1953 in mijn zevende levensjaar. Ik heb zojuist een diefstal gepleegd. Uit het keukenkastje van mijn moeder heb ik een doosje lucifers ontvreemd. Dat merkt zij toch niet, want ik heb na eenzelfde ontvreemding al menig polletje droog gras  laten ‘fikken’ op de Hilversumse hei. Ik eindigde in deze rol helaas als strafregels schrijvende  ‘boosdoener’ op het politiebureau. Dat was het wel waard, overigens. Moeder verstopte vanaf die tijd het pak met luciferdoosjes; te vergeefs. Omdat ik, na gebruik van enkele stokjes, slim de doosjes in het pak teruglegde, bleef het gebruik onopgemerkt.

Nadat ik met hulp van een een briefopener een gulden uit mijn stenen spaarpot had laten zakken, verschafte buurjongen Paul mij, in ruil daarvoor, vier rotjes en een kanonslag. Die moesten diezelfde middag worden afgestoken om ouderlijke ontdekking te voorkomen.

Ik legde de rotjes keurig op de stoeprand en stak ze een-voor-een af. Wat een fantastische gevoel: Ik stak rotjes af!
En toen de kanonslag. Ik had natuurlijk al lang gezien dat de ‘grote jongens’ hun vuurwerk in de hand aanstaken en daarna weggooiden. Daar wilde ik bij horen. Ik stak de kanonslag aan, zag het lontje vonken en gooide ‘het’ snel weg. ‘Het’  lucifersdoosje viel met boog op straat. In de hand klonk een ‘kanonslag’ en ware het niet dat het vuurwerk in een geopende hand lag, dan had ik nu met een stompje zitten typen. Mijn trui vertoonde brandplekken, maar ‘grote broer’ en zijn vriendin hielpen mij, na een hartgrondig ‘lul!’, door zorgvuldig alle aangetaste truipluisjes weg te plukken. Moeder heeft het ontbreken van vijf lucifers niet gemerkt.

Rotjes of kanonslagen; je ziet en hoort ze niet meer. Vuurwerk gaat per kilo, tot maximaal 25 kg aan toe. Het zijn nu ‘Burning Nero’s’ die 125 seconden lang  kanonslagen doen ontploffen, of ‘Defender Big Boxen’  waarmee je bijna een huis kunt opblazen. Nooit genoeg. Geld genoeg.

Er gaat geen 31 december voorbij of ik kijk nog met enige genegenheid naar mijn rechterhand. ‘hallo ouwe reus, daar zijn wij toch maar lekker aan ontsnapt’. 

Zo geeft uiteindelijk één kanonslag van vijfenveertig cent mij nu al 64 jaar plezier.

dinsdag 26 december 2017

Onuitstaanbaar als het om taal gaat



‘ Ik kom om een uur of zeuven’  zei Steven tegen mij.
‘Ik heb liever een uur of neugen, kan dat?’, was mijn antwoord.

Ik keek in een paar groot geworden ogen en naar een naar lucht happende mond.
De boodschap was kennelijk aangekomen.

Ik erger mij kapot aan het veelvuldig gebruik van het woord ‘zeuven’.  Men zegt dat het deels bekakt en deels dialect is, maar ik vind het gewoon stom. Het slaat nergens op. Zelfs op TV zijn er verslaggevers die de ‘e’ kennelijk niet kunnen uitspreken. Dan moet je je mond wat meer naar achter trekken en het vraagt wat ekstra energie. De absolute topper was vorige week ‘zeuvenhonderdzeuvenenzeuventig’.

Ik vroeg of Steven op de fiets zou komen. ‘Nee, ik kom met de oto’ .
‘Neem een pot ogurken mee, Steuven’ flapte ik eruit.


Als het om taal gaat, ben ik soms onuitstaanbaar.

Pokke-herrie  Ik heb zaterdagavond tot half twee voor het TV-beeld gezeten om het Eurovisie Song-festival tot het bittere eind ‘uit te zitte...